Is "FRAME" wetenschappelijk en wiskundig onderbouwd ? Heel wat professionelen in de brandveiligheid zijn door "FRAME" aangesproken omdat de methode "goed aanvoelt ", dwz dat de resultaten van de berekeningen overeenstemmen met een intuïtieve evaluatie gebaseerd op kennis en ervaring. Maar zoals bij alle empirische methodes, stelt men dikwijls de vraag hoever het staat met de wetenschappelijke onderbouwing ervan ? Het wantrouwen voor empirische methodes zoals is in zekere mate te begrijpen, hoewel men sinds jaar en dag op vele gebieden dergelijke rekenmethodes in vertrouwen gebruikt heeft zonder dat er een wetenschappelijke verantwoording bestond. Men bouwde al zeewaardige schepen voor dat Archimedes zijn wetten formuleerde. Het is wel duidelijk dat het onmogelijk is om een onderzoeksprogramma  met brandtesten op te zetten om de geldigheid van alle parameters na te gaan, en dat zoiets eigenlijk niet nodig is om de bruikbaarheid van de methode aan te tonen. Hoe kan FRAME dan gevalideerd worden op basis van wetenschappelijke kennis?  De wtenechappelijke basis en de achtergrond van de methode is beschreven in de  Theoretical basis and technical reference guide. In de hiernavolgende tekst volgt een uittreksel uit deze verantwoording ,zodat de gebruiker de methode met vertrouwen kan toepassen. Wiskundige formulering van risicoaanvaarding. Op het vlak van machineveiligheid bestaat er een duidelijke manier om op basis van combinatie van ernst en waarschijnlijkheid (van een ongeval) een aanvaardbaar risico te definiëren. Die methodiek is vastgelegd in de normen EN1050 en EN954-1. ( zie ook : "risicobeoordeling" ) De ernst van een risico is bepaald als " de gevolgen in het slechtste geval "  zonder rekening te houden met de doeltreffendheid van de bescherming of de duur van de bllotstelling. Een dergelijk "slechtste geval" wordt aanvaardbaar wanneer de combinatie van een (korte) duur van blootstelling en lage waarschijnlijkheid de ernst van het geval compenseert. Een vrij algemeen gebruikte formule om dit aan te duiden werd door KINNEY  e.a. ontwikkeld in de periode 1970-1980. De formule luidt: Sev * Poc * Exp < C hierbij is : Sev = maat van ernst (severity) Poc = maat van waarschijnlijkheid van optreden (probability of occurrence) Exp = maat van blootstelling (exposure) C(constante) = maat voor het aanvaardbaar risiconiveau Hierbij men men wel opletten dat ernst, waarschijnlijkheid en blootstelling gekoppeld zijn aan eenzelfde ongewenste gebeurtenis. Het resultaat kan men best voorstellen met een driedimensioneel parabolisch veld: alle risico's onder die grens zijn aanvaardbaar, die erboven vragen om correctie. KINNEY stelt de volgende waarden voor bij de bepaling van ernst, waarschijnlijkheid en blootstelling: Waarde van Poc  Waarschijnlijkheid van voorkomen  10  kan verwacht worden, bijna zeker  goed mogelijk  combinatie van ongewone omstandigheden  op lange termijn mogelijk  0.5  onwaarschijnlijk  0.2  hoogst onwaarschijnljk  0.1  praktisch onmogelijk  Waarde van Sev  Ernst van de gevolgen  Kostschatting (1980 dollars)  100  Catastrofe met vele doden  meer dan 10.000.000  40  Ramp, meer dan 1 dode  van 1 tot 10 miljoen  15  Dodelijk, (1 slachtoffer)  van 100.000 tot 1 miljoen  Ernstige letsels  van 10.000 tot 100.000  Mindere letsels  van 1.000 tot 10.000  Lichte letsels  minder dan 1.000  Waarde van of Exp  Blootstelling  Tijdschaal  0.5  zeer zelden  ten hoogste eenmaal per jaar  zelden  enkele malen per jaar  ongewoon  eens per maand  occasioneel  eens per week  frequent  dagelijks  10  continu  constant  De voorgestelde waarden voor elke factor liggen op een niet-lineaire (semi-logarithmitsche) schaal, en de berekende risicofactor wordt beoordeeld met de volgende "beslissingstabel". De niet-lineaire schaal is nodig om te beantwoorden aan het verschijnsel van risicoafkeer, dwz de menselijke houding om eerder risico's met hoge ernst / lage waarschijnlijkheid te verwerpen dan die met lage ernst / hoge waarschijnlijkheid.  In de beslissingstabel worden de geïdentificeerde risico's in klassen ingedeeld zodat men een volgorde kan vastleggen om ze aan te pakken. Waarde van Risicofactor :  Beslissing  <20  Geen aandacht vereist  20 to 70  Aandacht vereist  70 to 160  Verbeteringsactie nodig  160 to 320  Onmiddelijke verbetering nodig  > 320  Stop de activiteit "FRAME" gebruikt een formule die gelijkaardig aan die van de Kinney-methode : Deze formule kan men ook schrijven als: P / D < = A Het potentiële risico P is bepalend voor de ernst; 1/D (Beschermingsgraad) geeft de waarschijnlijkheid van optreden:Een hoge graad van bescherming is hetzelfde als een lage faalkans dus een lage waarschijnlijkheid ; Het aanvaardbaar risico A is een maat voor de blootstelling : Hoe groter de blootstelling (voor het gebouw, de gebruikers, activiteiten) , hoe lager het aanvaardbaar risico zal zijn. Deze gelijkenis tussen de basisformules van "FRAME" en die van de KINNEY methode tonen duidelijk dat "FRAME" geen "punten-systeem" is, zoals andere op checklists gebaseerde methodes ( bvb. NFPA 101A en de FSES methode) maar een methode gebaseerd op de meer wetenschappelijke benadering met de combinatie ernst- waarschijnlijkheid.  Beoordeling van de ernst. De  beoordeling van de ernst van een brand gebeurt in FRAME, door de combinatie van de  3 factoren q, v en i. De basisformule voor q is logarithmisch, wat overeenstemt met: De logarithmische distributie van de brandschade die men in brandstatistieken terugvindt en de standaard temperatuur-tijd brandcurves De i- en v-factors corrigeren de op de vuurbelasting gebaseerde q-factor voor de invloed van (hitte)ventilatie en brandontwikkeling (RHR = rate of heat release). Formules voor de brandduur. De meeste mathematische modellen bepalen de ernst van de thermische actie van een brand als een functie van de brandduur. De standaard brandcurves, (zie Eurocode EN1991-1-2) zijn logarithmische temperatuur-tijd curves. Deze curves hebben een snel groeiende “kop”, die de ontwikkeling naar flash- over condities voorstelt en een eerder vlakke  “staart”, wat beantwoordt aan een zware brand onder min of meer constante warmte-afgifte. "Natuurlijke" brandmodellen vertonen daarnaast ook een traag groeiend begin , meestal met een t² - curve, die het ontwikkelen van een brand voor flash-over weergeeft, en een dalende staart (lineair of t²) om de uitdooffase van een brand voor te stellen. Het nagenoeg vlakke deel van de temperatuur-tijd curve komt overeen met twee situaties die men bij reële branden terugvindt: Het kan zowel een “door de ventilatie gecontroleerde” brand zijn na flash- over of een situatie waarbij de warmteafgifte van de brand in evenwicht is met het warmteopslorpend vermogen van het water dat door brandweer en sprinklers wordt aangevoerd. In beide gevallen veronderstelt men een nagenoeg constante warmteproductie  (RHR = rate of heat release) , en wordt de duur van de brand bijna lineair gekoppeld aan de beschikbare vuurbelasting. De staart van de brandcurve met de dooffase is niet erg interessant voor de risicobeoordeling, aangezien het er vooral op aankomt om te weten hoeveel schade kan volgen uit die thermische actie. Daarentegen is het wel betekenisvol om een beginfase in het model in te bouwen, omdat dit een aanduiding geeft van de periode voor dat de zware thermische belasting optreedt en omdat die beginperiode een belangrijke invloed heeft op de doelmatigheid van defensieve acties zoals brandbestrijding en sprinklers. Er bestaan nog een aantal bijkomende parameters die de vorm van de brandcurve mee bepalen. Over het algemeen zullen de plaatselijke omstandigheden, zoals ventilatie, compartimentgrootte, etc.) meespelen om de "standaard" brandcurve te veranderen in een meer of minder zwaar brandmodel. Men gebruikt hiervoor het “equivalente tijd”-concept, waarbij men de piek van een natuurlijke brandcurve afzet tegenover de standaard ISO 834 brandcurve. In FRAME zit de brandduur verwerkt in het logarithmische deel van de formule van de brandlastfactor q. q = 2/3 * log (Qi + Qm) - 0.55 De correctie-factoren in deze formule houden dan rekening met dat deel van de warmteafgifte van de brand dat verloren gaat in de groeifase, in de ontsnappende rook en in de dooffase.