BASISPRINCIPES FRAME vertrekt van vijf basisprincipes: 1. In een goed beschermd gebouw bestaat er een evenwicht tussen het gevaar voor brand en de voorziene bescherming. Drukt men dit evenwicht uit in getallen, dan kan men zeggen dat het quotiënt " gevaar : bescherming = risico " niet groter is dan 1 voor goed beschermde gebouwen. Een hogere waarde voor dit quotiënt weerspiegelt een slechtere toestand van het gebouw, terwijl een lagere waarde een betere situatie weergeeft. De waarde van R volgens FRAME komt dus overeen met een (al dan niet aanvaardbaar) restrisico. Het evenwicht tussen risico en bescherming dat men in FRAME terugvindt is vergelijkbaar bij het risico in een moderne woning in een stedelijke zone: De schade van de brand kan beperkt wordt tot de ruimte waar de brand is ontstaan, er zijn geen dodelijke slachtoffers, en men kan het huis opnieuw bewonen na het opruimen en herstellen van de schade. 2. De tweede grondgedachte is dat het gevaar zelf te berekenen valt uit twee reeksen invloedsfactoren. De eerste reeks bevat die factoren die de  mogelijk omvang van de ergste situatie bepalen, en die noemt men het  "potentieel risico P". De tweede reeks bevat de factoren die de weerslag ervan omschrijven. Hoe groter de mogelijke weerslag van de brand, hoe minder aanvaardbaar. Deze reeks bepaalt de waarde van het "aanvaardbaar risico A". 3. Het ergste mogelijke scenario doet zich pas voor als alle bescherming faalt. Een hogere beschermingsgraad betekent dus een kleiner eindrisico. Men kan de beschermingsgraad kan berekenen door de beschermingstechnieken in te delen in groepen, elk met specifieke waarden. De gebruikte getallen zijn kenmerkend voor de verschillende beschermingsmiddelen en technieken: a) het meest gebruikte blusmiddel: water b) de bouwkundige bescherming van de evacuatie c) de brandweerstand van de bouwelementen d) de manuele blusmiddelen e) de automatische meld- en blusinstallaties f) de openbare en private brandweer g) de fysische scheiding der risico's 4. De berekening dient dan nog drie luiken te omvatten, elk voor een deelaspect van het brandrisico met een eigen scenario: Een eerste berekening dient om het risico te bepalen voor het patrimonium, het gebouw en zijn inhoud; de tweede om het risico te bepalen voor de personen en de derde voor het risico voor de (economische) activiteit in het gebouw. De verscheidene invloedsfactoren spelen in de drie gevallen niet op dezelfde manier. Noch het potentiële noch het  aanvaardbare risico zijn gelijk, en de beschermingsmiddelen hebben verschillende effecten naargelang men de personen, de goederen of de activiteit wil beveiligen. 5. De basiseenheid voor de berekeningen is één compartiment met één niveau. Zijn er meerdere compartimenten, of meerdere niveaus, dan zal men een reeks berekeningen maken voor elk van hen, of ten minste voor de meest gevaarlijke compartimenten. DEFINITIES EN FORMULES. De vijf basisprincipes worden omgezet in de volgende definities en formules: Het risico voor het patrimonium R is per definitie : R = P / ( A * D) Hierbij is P het Potentieel Risico, A het Aanvaardbaar Risico en D de Beschermingsgraad. Het Potentieel Risico P is per definitie : P = q * i * g * e * v * z Hierbij is q de brandlastfactor, i is de verspreidingsfactor, g is de oppervlaktefactor, e is de verdiepenfactor, v is de ventilatiefactor, z is de toegankelijkheidsfactor. Het Aanvaardbaar Risico A is per definitie : A = 1.6 - a - t - c  Hierbij is 1.6 de maximale waarde van A, a is de aanzetfactor, t is de evacuatietijdsfactor, c is de inhoudsfactor. De beschermingsgraad D is per definitie : D = W * N * S * F  Hier is W is de watervoorzieningsfactor, N is de normale beschermingsfactor, S is de speciale beschermingsfactor, F is de brandweerstandsfactor. Het risico voor de personen R1 is per definitie : R1 = P1 / ( A1 * D1) Hierbij is P1 het Potentieel Risico, A1 het Aanvaardbaar Risico en D1 de Beschermingsgraad. Het Potentieel Risico P1 is per definitie : P1 = q * i * e * v * z en q is de brandlastfactor, i is de verspreidingsfactor, e is de verdiepenfactor, v is de ventilatiefactor, z is de toegankelijkheidsfactor. Het Aanvaardbaar Risico A1 is per definitie : A1= 1.6 - a - t - r en 1.6 is de maximale waarde van A1, a is de aanzetfactor, t is de evacuatietijdsfactor, r is de omgevingsfactor. De beschermingsgraad D1 is per definitie : D1 = N * U en N is de normale beschermingsfactor, U is de vluchtfactor. Het risico voor de activiteiten R2 is per definitie : R2= P2 / ( A2 * D2) Hierbij is P2 het Potentieel Risico, A2 het Aanvaardbaar Risico en D2 de Beschermingsgraad. Het Potentieel Risico P2 is per definitie: P2= i * g * e * v * z  i is de verspreidingsfactor, g is de oppervlaktefactor, e is de verdiepenfactor, v is de ventilatiefactor, z is de toegankelijkheidsfactor. Het Aanvaardbaar Risico A2 is per definitie :  A2= 1.6 - a - c - d en 1.6 is de maximale waarde van A, a is de aanzetfactor, c is de inhoudsfactor, d is de afhankelijkheidsfactor. De beschermingsgraad D2 is per definitie : D2= W * N * S * Y en W is de watervoorzieningsfactor, N is de normale beschermingsfactor, S is de speciale beschermingsfactor, Y is de reddingsfactor. Berekening van de waarden van de risico's. De waardeschaal voor de componenten P, A en D is zo gekozen dat voor een goed beschermd compartiment, de risicowaarden R, R1 en R2 kleiner dan of gelijk zijn aan 1.