ONTWERPEN van brandveilige gebouwen met FRAME. Om de brandveiligheid van een gebouw te ontwerpen, moet men een aantal stappen volgen, die men het best beschrijft en documenteert in een "conceptrapport voor brandveiligheid", of een Master Plan Brandveiligheid. In het algemeen, dient men de volgende stappen uit te voeren : een brandrisicoanalyse de bepaling van het beoogde niveau van brandveiligheid maatregelen vastleggen om de brandveiligheid te realiseren de toetsing van de maatregelen aan de doelstellingen 1. De brandrisicoanalyse De brandrisicoanalyse omvat de beschrijving van het gebouw en zijn indeling naar gebruik van de lokalen, de voorziene bezetting van de lokalen door personen, de aanduiding van de mogelijke oorzaken van brand, de manier waarop brand zich zou kunnen verspreiden binnen en buiten het gebouw, de mogelijke gevolgen voor de gebruikers van het gebouw, voor het gebouw en zijn inhoud, voor de gebruiksfuncties van het gebouw, voor de omgeving en voor de interventiediensten. Pas als men een goede risicoanalyse heeft uitgevoerd kan men weten welke wetgeving, voorschriften en normen toegepast kunnen worden. Bij gebouwen of lokalen met goed gekende functies volstaat een korte beschrijving met verwijzing naar de referentiedocumenten. Bijzondere aspecten die het brandrisico verhogen of verlagen dienen zorgvuldig verklaard. 2. De bepaling van het beoogde niveau van brandveiligheid Het beoogde niveau van brandveiligheid is bepaald door de doelstellingen van de belanghebbenden, met name de eigenaar en/of gebruiker van het gebouw, de overheid, de brandverzekeraar. Voor de overheid geldt dat : De brand- en rookverspreiding in het gebouw dient beperkt. De brandoverslag naar andere gebouwen vermeden wordt De personen het gebouw kunnen verlaten of gered worden op een andere wijze De veiligheid van de reddingsdiensten verzekerd wordt De stabiliteit van de structurele elementen behouden blijft gedurende een bepaalde tijd Deze doelstellingen worden gewoonlijk vertaald in een aantal wettelijke of reglementaire bepalingen, die door de ontwerper dienen nageleefd. Indien dat niet kan, dan zal de ontwerper van de overheid de toestemming moeten krijgen om die doelstellingen op een andere -gelijkwaardige- manier te realiseren. De andere belanghebbenden. De opsteller van het rapport zal met de eigenaar, de voorziene gebruikers en de andere belanghebbenden overleggen om hun doelstellingen te bepalen met het oog op de goedkeuring van het conceptrapport. Indien dit overleg niet mogelijk is, zal de opsteller zelf de beoogde doelstellingen bepalen en toelichten. Mogelijke doelstellingen voor de andere belanghebbenden zijn: Het beperken van brandschade aan het gebouw en zijn inhoud Het beperken van de gevolgen van een brand op de functies van het gebouw Het beperken van de invloed van een brandschade op de faam van de belanghebbende Het afsluiten van economisch verantwoorde verzekeringscontracten Het vinden van een economische verantwoord evenwicht tussen de kost en de opbrengst van de voorgestelde maatregelen Het niveau van brandveiligheid dat aan deze doelstellingen beantwoordt, kan in algemene termen verwoord worden met een verwijzing naar de referentiedocumenten, of vastgelegd worden aan de hand van numerieke criteria, of met een combinatie van beide. In de meeste gevallen zal men hierbij een opsomming moeten maken van de referentiedocumenten zoals wetten, reglementen en andere voorschriften die op het gebouw van toepassing zijn. In een beperkt aantal gevallen zal men hier moeten verantwoorden waarom een bepaalde regelgeving niet van toepassing is, bvb. wanneer een gebouw een andere functie heeft dan wat zijn naam doet vermoeden Wanneer men een concept voorstelt dat gebaseerd is op afwijkingen en/of numerieke criteria, zal men ook de methode moeten vastleggen waarmee de criteria en de gelijkwaardigheid getoetst kunnen worden.  Voorbeelden: Het gebouw dient te beantwoorden aan alle wettelijk toepasselijke voorschriften Het gebouw dient zoveel mogelijk te beantwoorden aan de wettelijke voorschriften, maar waar nodig zal een afwijking op basis van gelijkwaardigheid worden voorzien. Het gebouw past niet in de wettelijke voorschriften. Het beantwoordt aan een alternatief concept dat minstens een zelfde niveau van veiligheid waarborgt. De grootste te verwachten brandschade mag niet meer zijn dan 20 % van de waarde van het meest waardevolle compartiment Er mogen niet meer dan 300 personen bij een incident betrokken zijn. De activiteit in het gebouw moet binnen de 48 uur weer kunnen opstarten. 3. De voorgestelde maatregelen om de brandveiligheid te realiseren Om de doelstellingen te halen, moet de ontwerper een aantal keuzes maken en en een aantal voorschriften vastgelegd worden, met name op de volgende gebieden: Inplanting van het gebouw in zijn omgeving met de scheidingen en afstanden t.o.v. de buren . In de beschrijving van het project beschrijft men de indeling van het gebouw en de onderlinge schikking en scheiding van de functies in het gebouw, zoals woonruimte, kantoor, logies, bijeenkomst, vrije tijd, opsluiting, gezondheidszorg, onderwijs, openbare dienst, industrie, handel, opslag, technische installaties, enz..  In de Amerikaanse norm NFPA 101 vindt men volgende functies: assembly, educational, day-care, health care, ambulatory health care, detention, dwellings, lodging, hotels and dormitories, apartment buildings, residential board and care, mercantile, business, industrial, storage. Bij de indeling en de schikking van de functies horen de eisen voor de compartimentering en de bepalingen voor de vluchtroutes voor de gebruikers. Bij complexe gebouwen dient een gedetailleerd evacuatieplan uitgewerkt. Bouwmaterialen, installaties, organisatie. De brandveiligheid wordt meebepaald door de  keuze van de gebruikte bouw- en bekledingsmaterialen, vooral qua reactie bij brand en qua weerstand tegen vliegvuur voor de dakbedekkingen. Bij de voor te stellen maatregelen horen:  De vereisten voor alle aspecten van de brandweerstand voor de structurele elementen, de niet-structurele elementen en de scheidingen tussen compartimenten en verschillende functies: stabiliteit, vlamdichtheid, isolatie, rookdichtheid, stralingsbeperking.   De technische uitrusting van de gebouwen: liften, roltrappen, verwarming en airconditioning, elektriciteit, gas en andere nutsvoorzieningen, verlichting, toegangscontrole, enz. De uitrusting voor het melden en het alarmeren bij brand, al dan niet automatisch. De uitrusting voor het bestrijden van brand, zowel handbediend door de gebruikers en de brandweer, als automatisch. De rookbeheersinsinstallaties en hun bediening. De organisatorische preventieve maatregelen die gelden voor het dagelijkse gebruik van het gebouw en de bijzondere procedures die dienen om het ontstaan van brand te voorkomen, zoals bvb. regels voor het gebruik van brandbare producten of voor werken met open vlam. Voor de organisatorische maatregelen die gelden bij het ontstaan van brand voor de aanwezigen in het gebouw, zal in de meeste gevallen een korte beschrijving volstaan van het organiseren van de evacuatie en de eerste interventie door de aanwezigen. De planning van de interventie van de brandweer, met de aanduiding van toegangen, de opstelplaatsen voor de brandweervoertuigen, de ligging van de externe watervoorzieningen, de interventiemogelijkheden in het gebouw, de beschikbare middelen voor de interventie in het gebouw. 4. De opdracht van de ontwerper. De ontwerper brandveiligheid zal gebruik maken van een aantal instrumenten om zijn taak uit te voeren, in de eerste plaats de toepasselijke wetgeving, normen en andere regels van goed vakmanschap die op het project toegepast moeten of kunnen worden. Wanneer de toegepaste normen en regels een aantal alternatieve oplossingen toelaten, dient de opsteller van het conceptrapport uit te leggen welke oplossing de voorkeur heeft of wat de voor- en nadelen zijn van die alternatieven, indien de keuze naar een later stadium wordt uitgesteld. Bij de keuze van alternatieve oplossingen kan de ontwerper de FRAME methode gebruiken: Hij kan bvb. voor de verschillende alternatieven een risicoberekening maken om te zien of de alternatieven vergelijkbaar zijn, of hij kan zich laten leiden door de berekening van de waarde van Ro om een keuze te maken. In de praktijk , kan men het best eerst de keuze maken voor de meest economische bescherming van het gebouw en zijn inhoud, en pas daarna nagaan of er bijkomende maatregelen nodig zijn om de veiligheid van de personen en de activiteiten. In het FRAME - programma, vindt men bij Ro een aanduiding van de mogelijke keuzes: Als Ro kleiner is dan 1, zijn enkel handbediende blusmiddelen meestal voldoende Als Ro ligt tussen 1 en 1.6, is het aangewezen ook automatische branddetectie te voorzien Als Ro ligt tussen 1.6 en 2.7 , is een sprinklerbescherming waarschijnlijk noodzakelijk Als Ro ligt tussen 2.7 en 4.5, dan zal men bovendien voor een hoog betrouwbare watervoorziening moeten zorgen En als Ro groter is dan 4.5 , dient men het risico eerst te verkleinen, bvb. door compartimentering, RWA, en preventieve maatregelen zoals het afschermen van de bijkomende risico's die met factor a in rekening werden gebracht. In de mate van het mogelijke, zal de opsteller van het conceptrapport ook al de ontwerpparameters bepalen voor de brandbescherminstallaties, maar als de uiteindelijke functie van een gebouw nog niet vastligt, kan het voor de opsteller van het conceptrapport onmogelijk zijn om ontwerpparameters vast te leggen. Naast de algemene beschrijving van deze maatregelen die aan de belanghebbenden een overzicht moeten geven en de samenhang van het geheel moeten duidelijk maken, kan het noodzakelijk zijn de maatregelen ook gegroepeerd voor te stellen per discipline, die door de bouwheer en architect worden ingezet om het bouwproject te realiseren, zoals bvb. ruwbouw, schrijnwerk, elektriciteit, mechanische uitrusting, afwerking, en dgl. De beschrijving van de maatregelen wordt best aangevuld met een reeks plannen die de voorgestelde maatregelen visualiseren. Voor een conceptrapport is het niet nodig om voor alle voorgestelde maatregelen berekeningen en attesten te voorzien. Het kan wel van belang zijn om de naleving van de belangrijkste aspecten toe te lichten. Wanneer er van de referentiedocumenten wordt afgeweken, wanneer er een interpretatie nodig is van sommige bepalingen, en wanneer niet algemeen erkende technieken gebruikt worden, zal het conceptrapport de procedure voor de goedkeuring en de te gebruiken argumenten toelichten. 5. De toetsing van de maatregelen aan de doelstellingen De voorgestelde maatregelen dienen getoetst aan de doelstellingen en aan de referentiedocumenten. In dit stadium zijn FRAME berekeningen ook dikwijls aangewezen, hetzij om na te gaan of men een voldoende veilig gebouw heeft met R-waarden kleiner dan 1, hetzij ter ondersteuning van de gemaakte keuzes.